Is er toekomst voor aardolieraffinage zonder fossiele subsidies?

De afgelopen jaren hebben twee onderwerpen veel aandacht gekregen in het Nederlandse klimaatdebat: de afbouw van fossiele subsidies en de verduurzaming van de industrie. Deze onderwerpen hangen nauw samen: de industrie is een groot ontvanger van fossiele subsidies en tegelijkertijd staan deze subsidies in de weg om een eerlijk speelveld te creëren voor duurzame en innovatieve bedrijven. 

Maatschappelijk en politiek is er brede consensus dat fossiele subsidies moeten worden afgebouwd. Maar de praktijk is weerbarstig. Een deel van de Nederlandse industrie – met name het energie-intensieve deel dat sterk afhankelijk is van (goedkope) fossiele energie – zit in zwaar weer en luidt de noodklok. De reflex vanuit de politiek is om deze bedrijven te hulp te schieten met nóg meer fossiele subsidies. Denk aan de herinvoering van de Indirecte Kostencompensatie (IKC), het opschorten van de CO2-belasting en verdere verlaging van de energiebelasting en nettarieven. Hier komt nog bovenop: de miljarden overheidsinvesteringen in publieke infrastructuur voor CCS, waterstof en elektrificatie voor de ‘verduurzaming’ van de energie-intensieve industrie. In veel gevallen gaat het om bedrijven die eigenlijk geen realistische plannen hebben om afscheid te nemen van hun fossiele model.

Het is de afgelopen kabinetten niet gelukt om scherpe keuzes te maken die ertoe leiden dat de oude fossiele industrie plaatsmaakt voor de industrie van de toekomst. Houdt Nederland deze koers aan dan bestaat het gevaar dat we nog jarenlang een handvol fossiele bedrijven subsidiëren met miljarden aan belastinggeld. De structurele verduurzaming van de industrie wordt dan almaar uitgesteld. Het gevolg is aanhoudende klimaatschade en het verspillen van miljarden aan publiek geld. Ondertussen wordt het risico steeds groter dat we de boot missen; Duurzame en circulaire bedrijven vestigen zich elders omdat onze schaarse middelen en ruimte opgaan aan de oude industrie. Die achterstand is niet alleen schadelijk voor het klimaat, maar ook onze strategische autonomie en geopolitieke positie.

Een nieuwe strategie

Hoewel het onderwerp ‘fossiele subsidies’ de afgelopen jaren steeds prominenter op de politieke en maatschappelijke agenda is komen te staan, blijkt het in de praktijk een te groot, divers en complex onderwerp om effectief stappen te zetten. Waar de politiek tekortschiet, ligt een cruciale rol voor de klimaatbeweging en duurzame ondernemingen om te komen met oplossingen. Dat vraagt wel om een nieuwe strategische benadering:

Geld dat vrijkomt door te stoppen met sponsoren van de oude economie kan worden ingezet voor het bouwen aan de nieuwe economie. Precies hier zit het gebrek aan verbeeldingskracht bij de overheid en is het aan de duurzame beweging om dit aan te jagen en handelingsperspectief te bieden.

De bedrijfstak die zich bij uitstek leent voor deze nieuwe strategie is de raffinage en petrochemie. Dit is een van de meest vervuilende en tegelijkertijd kwetsbare industriële sectoren in Nederland. Het gaat om 9 grote bedrijven: 6 raffinaderijen van BP, Shell, Exxon, Gunvor, Vitol en Zeeland Refinery en 3 stoomkrakers van Shell, Sabic en Dow. 

Deze bedrijven hebben geen of een beperkte rol in de duurzame industrie van de toekomst: Raffinaderijen produceren fossiele brand- en grondstoffen die we, in lijn met het Parijsakkoord, zo snel mogelijk moeten afbouwen. Stoomkrakers produceren basischemicaliën voor plastics, iets wat ook in een duurzame toekomst nodig blijft maar in sterk mindere mate en zo min mogelijk op basis van fossiele olie. Deze bedrijven profiteren volop van diverse fossiele subsidies en nemen schaarse ruimte in (zowel fysiek, als in termen van stikstof, milieuverontreiniging en netcapaciteit) terwijl hun bijdrage aan de economie beperkt is (< 0,5% bbp). Bovendien lukt het deze sector maar amper om te concurreren met het buitenland waardoor sommige bedrijven nu al hun productie afschalen. Honderden miljoenen aan belastinggeld wordt dus verspild aan het kunstmatig in leven houden van bedrijven die een doodlopend spoor volgen.

Desondanks blijft onze overheid bereid miljardeninvesteringen te doen in deze sector in de vorm van CCS, elektrificatie en waterstof. Dit geld kunnen we veel beter gebruiken voor bedrijven die wél een duurzame toekomst hebben.